digitaleschool.be: Ga terug naar de beginpagina. eInfo: contactinformatie, doelstellingen van digitaleschool.be en de lessen alsook mijn CV kom je hier tegen. eWorkz: Online werkboek waar leerlingen individueel of in groep onderzoeksopdrachten kunnen uitvoeren. Je kan vragen stellen aan digitaleschool.be en aanvullingen maken op elkaars onderzoek. Dit is een encyclopedie van en voor leerlingen. eTools: Hier kan je allerlei hulpprogramma's downloaden die je nodig hebt om pdf, zip en andere bestanden te openen met Acrobat Reader, Winzip, ... eNieuws: actualiteit, heet van de naald en nieuwsjes over digitaleschool.be zijn hier te vinden. eLogin: Hier kunt U zich aanmelden.
eKlas: Oefen taal, rekenen, meten en muziek; Zoek informatie over WeRo en godsdienst op in een themalijst. eKopie: Druk lesfiches en werkbundels af over taal, wiskunde, WeRo en 'ICT-toepassingen in klas' uit ons virtueel kopiŽerlokaal. eZoek: De zoekmachine die alles binnen digitaleschool.be opsnort en en verzameling zoekrobots voor leerlingen. ePartners: Maak kennis met de partners van digitaleschool.be.
U bent een niet ingelogde bezoeker
 

wat is digitaleschool.be ?

doelstellingenlijsten

wie ben ik ?

sitemap

Algemene doelstellingenDeze pagina kan je in je klasagenda stoppen.

ICT-Competenties in het basisonderwijs (Deze zijn overgenomen uit de publicatie van dvo.)
http://www.ond.vlaanderen.be/dvo/ICT/indexict.htm

 

I Leerprocesgerichte competenties

Hoofdcompetentie 1:
De leerlingen kunnen functioneel samenwerken aan een opdracht waarbij zij ICT benutten.

Deelcompetenties:
Plannen
1.1 De leerlingen kunnen door middel van overleg uitmaken bij welke onderdelen van de opdracht het nuttig is ICT als hulpmiddel in te schakelen.
1.2 De leerlingen kunnen met elkaar afspreken hoe ze ICT zullen benutten bij het werken aan de opdracht en wie welke taken op zich zal nemen.

Uitvoeren
1.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie, inzichten en meningen samenbrengen, vergelijken en verwerken tot een groepsresultaat.

Bewaken en evalueren
1.4 De leerlingen kunnen de vorderingen van de groep tussentijds evalueren en daarbij constructieve feedback geven en benutten.
1.5 De leerlingen kunnen afwegen wat de specifieke meerwaarde van het ICT-gebruik was binnen hun samenwerking.

Specifieke attitudes
1.6 De leerlingen respecteren elkaars bijdrage en mening.
1.7 De leerlingen respecteren afspraken en timing.
1.8 De leerlingen zijn bereid elkaar te helpen rekening houdend met de verschillen in ICT-competenties.

Hoofdcompetentie 2:
De leerlingen kunnen met ondersteuning van ICT informatie multimediaal voorstellen.

Deelcompetenties:
Plannen
2.1 De leerlingen kunnen vastleggen in welke volgorde en onder welke vorm de informatie voorgesteld zal worden.
2.2 De leerlingen kunnen beslissen welke ICT-toepassingen het meest geschikt zijn om (delen van) de informatie voor te stellen.

Uitvoeren
2.3 De leerlingen kunnen doelgericht informatie (tekst, beeld en geluid) voorstellen aan hun doel-publiek met ondersteuning van ICT.

Bewaken en evalueren
2.4 De leerlingen kunnen reflecteren over de gevolgde werkwijze en daaruit conclusies trekken.
2.5 De leerlingen kunnen oordelen en feedback geven over de kwaliteit van de eigen of andermans voorstelling.
Specifieke attitudes
2.6 De leerlingen houden bij hun voorstelling rekening met de kenmerken en verwachtingen van hun doelpubliek.

Hoofdcompetentie 3:
De leerlingen kunnen zelfstandig leren met behulp van ICT.

Deelcompetenties:
Uitvoeren
3.1 De leerlingen zijn in staat een eigen leertraject te volgen aan de hand van een elektronisch ge-stuurd stappenplan.
3.2 De leerlingen kunnen zelfstandig leren aan de hand van een vertrouwd educatief software-programma.
3.3 De leerlingen kunnen een simulatie uitvoeren aan de hand van een op hen gericht educatief softwareprogramma en daar conclusies uit trekken.Bewaken en evalueren
3.4 De leerlingen kunnen reflecteren op hun gevolgde werkwijze en op wat ze geleerd hebben in combinatie met de vooropgestelde doelen.

Hoofdcompetentie 4:
De leerlingen kunnen doelgericht bestaande informatie opzoeken, verwerken en bewaren met behulp van ICT.

Deelcompetenties:
Plannen
4.1 De leerlingen kunnen adequaat kiezen welke informatiebronnen het meest geschikt zijn om bepaalde informatie op te zoeken.
4.2 De leerlingen kunnen beslissen op welke manier zij de gevonden informatie zullen opslaan om ze later opnieuw te kunnen raadplegen.

Uitvoeren
4.3 De leerlingen kunnen met behulp van ICT een zoekopdracht formuleren en uitvoeren.
4.4 De leerlingen kunnen onder begeleiding oordelen welke informatie relevant en interessant is binnen de onderzoeksopdracht.
4.5 De leerlingen kunnen onder begeleiding de bruikbare informatie ordenen en bewaren.

Bewaken en evalueren
4.6 De leerlingen kunnen het eigen zoekproces bijsturen in functie van de reeds bekomen resulta-ten.
4.7 De leerlingen kunnen aangeven waarom hun eigen aanpak wel of niet succesvol was.

Specifieke attitudes
4.8 De leerlingen nemen een kritische houding aan tegenover de beschikbare informatie.
4.9 De leerlingen streven naar nauwkeurigheid en systematiek bij het raadplegen, ordenen en bewaren van informatie.
4.10 De leerlingen vermelden spontaan de bronnen die ze gebruikt hebben.
4.11 De leerlingen tonen bereidheid en volharding bij het zoeken naar informatie.

Specifieke instrumentele vaardigheden
4.12 De leerlingen zijn in staat om zoekopdrachten uit te voeren d.m.v. eenvoudige procedures zoals: invoeren van een website-adres, zoeken via zoekrobot, navigeren d.m.v. hyperlinks, menu-opties hanteren.

Hoofdcompetentie 5:
De leerlingen kunnen met behulp van elektronische communicatiemiddelen eigen boodschappen zenden en voor hen bedoelde boodschappen ontvangen.

Deelcompetenties:
Plannen
5.1 De leerlingen maken een doelgerichte keuze uit verschillende communicatiemiddelen rekening houdend met de mogelijkheden en de beperkingen ervan.
5.2 De leerlingen kunnen vooraf aangeven wat de essentie is van hun boodschap.

Uitvoeren
5.3 De leerlingen kunnen in het kader van een opdracht efficiënt communiceren via de gangbare communicatiemiddelen.

Bewaken en evalueren
5.4 De leerlingen kunnen oordelen of de communicatie efficiënt was en indien nodig bijsturen.

Specifieke attitudes
5.5 De leerlingen houden rekening met de kostprijs van elektronische communicatie.
5.6 De leerlingen respecteren de algemene omgangsvormen bij het elektronisch communiceren (netiquette).
5.7 De leerlingen reageren alert en weerbaar op ongewone boodschappen.
5.8 De leerlingen verspreiden geen vertrouwelijke informatie via elektronische weg.

Specifieke instrumentele vaardigheden
5.9 De leerlingen zijn in staat om de gangbare communicatiemiddelen te hanteren.

Hoofdcompetentie 6:
De leerlingen kunnen met behulp van ICT zelfstandig oefenen.

Deelcompetenties:
Uitvoeren
6.1 De leerlingen kunnen zelfstandig oefenen met een vertrouwd educatief software-programma.

Bewaken en evalueren
6.2 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde hebben gebracht.

Specifieke attitudes
6.3 De leerlingen maken spontaan gebruik van voor hen bedoelde helpfuncties.

Hoofdcompetentie 7:
De leerlingen kunnen met behulp van ICT zelfstandig een werkstuk creëren.

Deelcompetenties:
Plannen
7.1 De leerlingen kunnen oordelen welke ICT-hulpmiddelen hen kunnen helpen bij het creëren.
Uitvoeren
7.2 De leerlingen kunnen met behulp van ICT eigen ideeën met tekst en beeld creatief vorm geven en beschikbaar maken.

Bewaken en evalueren
7.3 De leerlingen kunnen oordelen of zij de opdracht tot een goed einde hebben gebracht en reflec-teren op hun werkwijze.
7.4 De leerlingen kunnen het werk van hun medeleerlingen beoordelen en feedback geven over hoe zij het zouden aanpakken.

II Instrumentele vaardigheden

Hoofdcompetentie 8:
De leerlingen bezitten de nodige instrumentele kennis en vaardigheden om de ICT-apparatuur in relevante contexten te kunnen hanteren.

Deelcompetenties:
8.1 De leerlingen zijn in staat om functioneel gebruik te maken van een correcte basisterminologie.
8.2 De leerlingen zijn in staat om de elementaire functies van een computer en voor hen beschikbare randapparatuur te gebruiken.
8.3 De leerlingen zijn in staat om hun eigen gegevens op een gestructureerde wijze digitaal op te slaan.
8.4 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van een vertrouwd besturings-systeem.
8.5 De leerlingen zijn in staat om de basishandelingen uit te voeren van eenvoudige schrijf-, teken- en presentatieprogramma’s, van zoek- en communicatieprogramma’s.
8.6 De leerlingen zijn in staat om de elementaire bedienings- en veiligheidsvoorschriften te respecteren.

III Sociaal-ethische competenties

Hoofdcompetentie 9:
De leerlingen wenden ICT nuttig aan als hulpmiddel.

Deelcompetenties:
9.1 De leerlingen gaan op een kritisch-waarderende wijze om met ICT als maatschappelijk gegeven.
9.2 De leerlingen werken nauwkeurig en verzorgd en controleren hun werk op fouten.
9.3 De leerlingen dragen zorg voor de apparatuur en de software.
9.4 De leerlingen signaleren contact met schadelijke of discriminerende inhouden aan een vertrouwde volwassene.
9.5 De leerlingen werken op een ergonomische manier met de computer.
9.6 De leerlingen proberen de duur van een ICT- opdracht realistisch in te schatten en te bewaken.
9.7 De leerlingen geven of vragen spontaan hulp bij computerproblemen.
9.8 De leerlingen hebben respect voor de intellectuele eigendom van anderen bij het gebruik van informatie en software.
9.9 De leerlingen houden rekening met de financiële en ecologische aspecten van ICT-gebruik.
9.10 De leerlingen hebben weet van het bestaan van virussen en signaleren spontaan voor hen ongewone berichten.

 

 

Binnen de verschillende vakken vinden we nog :

WeRo
Technologische opvoeding & techniek

De leerlingen kunnen in hun omgeving informatieverwerkende toepassingen herkennen.
De leerlingen leren effectief met informatica en informatieverwerking omgaan.

Ruimte - Brongebruik
De leerlingen kunnen op hun niveau verschillende informatiebronnen raadplegen en deze informatie herwerken.

Nederlands
Lezen

De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = beschrijven) de informatie achterhalen in:
voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren) de informatie ordenen die voorkomt in:
- voor hen bestemde instructies voor handelingen van gevarieerde aard.
- voor hen bestemde school- en studieteksten en instructies bij schoolopdrachten.
- voor hen bestemde verhalen, kinderromans, dialogen, gedichten, kindertijdschriften en jeugdencyclopedieŽn.
Schrijven
De leerlingen kunnen (verwerkingsniveau = structureren):
- schriftelijk antwoorden op vragen over verwerkte inhouden.

Vaardigheden & strategie
De leerlingen kunnen die luister-, spreek-, lees-, en schrijfvaardigheden/strategieŽn aanwenden die nodig zijn om de respectievelijke eindtermen te realiseren. Zij houden daarbij onder meer rekening met de totale luister-, spreek-, lees- en schrijfsituatie, de tekstsoort en het verwerkingsniveau, zoals die aangegeven zijn in de desbetreffende eindterm.

Muzische vorming
Beeld

De leerlingen kunnen beeldinformatie herkennen, begrijpen, interpreteren en er kritisch tegenover staan.

Leren leren
De leerlingen kunnen op systematische wijze verschillende informatiebronnen op hun niveau zelfstandig gebruiken.
De leerlingen kunnen op systematische wijze samenhangende informatie (ook andere dan teksten) verwerven en gebruiken.
De leerlingen kunnen eenvoudige problemen op systematische en inzichtelijke wijze oplossen.
De leerlingen kunnen (eventueel onder begeleiding) hun eigen leerproces controleren en bijsturen.
De leerlingen kunnen op hun niveau leren met:
- nauwkeurigheid
- efficiŽntie
- wil tot zelfstandigheid
- voldoende zelfvertrouwen
- voldoende weerbaarheid
- houding van openheid en met kritische zin.

  Naar het begin van de pagina